Optrekregeling
Met de optrekregeling kunnen deelnemers meer pensioen opbouwen over de jaren die zij vóór 1 januari 2006 in de bedrijfstak hebben gewerkt. De regeling is een compensatie voor het wegvallen van de prepensioenregeling.
Op het UPO van uw werknemer wordt vermeld op hoeveel pensioen hij onder voorwaarden recht heeft vanuit de optrekregeling.
Premie voor de optrekregeling
Deelnemers die vallen onder pensioenreglement A betalen 1,3% van de pensioengrondslag voor de optrekregeling. De werkgever betaalt ook 1,3%. De totale premie voor de optrekregeling is dus 2,6%. Deze premie vervalt na 31 december 2020.
Deelnemers die vallen onder pensioenreglement B betalen geen premie voor de optrekregeling.
Kenmerken optrekregeling
De belangrijkste kenmerken van de optrekregeling zijn:
- de optrekregeling is voorwaardelijk. Een werknemer heeft er dus niet automatisch recht op. Ieder jaar beslist het bestuur van het Bpf voor de Houthandel of het extra pensioen uit de optrekregeling kan worden toegekend
- de optrekregeling verhoogt pensioenen die tot en met 31 december 2005 zijn opgebouwd. Dit kan alleen voor zover de Belastingdienst het goed vindt. Gekeken wordt naar de verhouding tussen de huidige opbouw en de oude opbouw tot en met 31 december 2005. Met een rekensom wordt de verhoging bepaald
- de optrekregeling geldt voor een werknemer als deze zowel op 31 december 2005 als op 1 januari 2006 deelnam aan de pensioenregeling en blijft deelnemen tot hij of zij met pensioen gaat. Ook moet de deelnemer ten minste tot 2021 onafgebroken in de bedrijfstak werken voordat deze met pensioen gaat
- de werknemer krijgt de extra optrek pas als hij of zij met pensioen gaat
- als de werknemer vóór de pensioendatum de bedrijfstak verlaat, vervalt het optrekpensioen
- de werknemer kan het extra pensioen uit de optrekregeling gebruiken om vóór zijn of haar 65ste te stoppen met werken
- het pensioen dat voor de werknemer wordt ingekocht omdat hij in het verleden gedurende dienstbetrekking(en) één of meer perioden heeft gehad waarin minder pensioen is opgebouwd dan op grond van de fiscale regelgeving mogelijk is, wordt pas opgebouwd op het moment dat en voor zover de toegezegde aanspraken zijn gefinancierd. Als de deelname aan de pensioenregeling eindigt voordat deze aanspraken (volledig) zijn gefinancierd, heeft de werknemer alleen recht op het op dat moment gefinancierde en opgebouwde deel van deze pensioenaanspraken. Als bij beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling nog geen toegezegd pensioen over verstreken dienstjaren voor de werknemer is ingekocht en opgebouwd, heeft hij dus ook geen recht op dit deel van zijn toezegging. Als aan de werknemer is toegezegd dat pensioenaanspraken over verstreken dienstjaren worden ingekocht, moeten deze uiterlijk binnen vijftien jaar nadat de toezegging is gedaan, zijn gefinancierd. Wanneer de werknemer binnen die vijftien jaar met pensioen zou gaan, moeten de in te kopen pensioenaanspraken al eerder zijn gefinancierd, namelijk uiterlijk op het moment van zijn pensionering